donderdag 16 februari 2017

American Psychosis: Trumpism and the Nightmare of History


So what is to be done? Is there a cure for the American psychosis? In the absence of an all-powerful alien civilization that comes from outer space to impose rationality on the American populace, I think not. In fact, if Nietzsche is correct that collective insanity is the rule rather than the exception, it seems best to admit that Americans are suffering from an incurable condition, right along with the rest of the human species. Like Athens, the world's first democracy, the United States is not immune to takeovers by tyrants and oligarchs, and in Trump we may have managed to get both for the price of one.
Uit het erudiete essay 'American Psychosis: Trumpism and the Nightmare of History' van W.J.T. Mitchell in Los Angeles Review of Books (geweldig tijdschrift en bijhorende website.) De historici van de toekomst gaan genieten van deze periode.

Hoe dan ook, het presidentschap van Trump is eigenlijk al ten einde. Hij is mentaal te onrustig, paranoïde, geobsedeerd met imago en zal nooit de balans vinden om vier jaar een land te leiden. Hij is binnen een maand geraakt door associaties in gelekte informatie die hem zullen blijven achtervolgen. De Amerikaanse overheid zal om hem heen proberen te functioneren, terwijl steeds meer gelekte informatie, vanuit diezelfde overheid en daar buiten, hem zal beschadigen. Er is waarschijnlijk een overdaad aan belastend materiaal in handen van allerlei instanties dat ongestraft naar journalisten wordt gelekt, die gewaarschuwd door de opgefokte controlestaat met eenvoudige encryptie hun bronnen beschermen en steeds meedogenlozer zullen worden.

Ik dacht eerder dat zijn partijgenoten hem op een gegeven moment gaan laten vallen maar niemand heeft baat bij een impeachment (een afgang voor de Republikeinen waardoor ze weggevaagd worden bij congresverkiezingen en ondenkbaar voor Trump die nooit een fout zal toegeven.) Het meest waarschijnlijke scenario is dat hij voorzichtig zal worden gemasseerd om vanwege gezondheidsredenen op te stappen. Ik durf wel te stellen: dit jaar nog. Maar zoals Mitchell in het bovenstaande essay concludeert is dat nog niet eens het begin van een serieuze oplossing voor de huidige waanzin.




zondag 5 februari 2017

Stresstest 2017



Ik moet toegeven dat het presidentschap van Trump een echt een nieuw fenomeen is. Reagan lijkt bij nader inzien bijna competent, Nixon een professional. Hij produceert bijna moeiteloos een vreemde chaos waar je eigenlijk afstand van moet nemen om helder te kunnen blijven functioneren. De ene dag word je overmand door een ongekend onbehagen dat sinds het begin van de jaren tachtig niet meer is gevoeld en de volgende dag is de incompetentie zo lachwekkend dat je er van overtuigd raakt dat het nooit lang kan duren voordat hij instort. Hopelijk is het ook snel afgelopen want zoals gebruikelijk is het isolationisme weer een loze belofte gebleken en zitten de yanquis al bij een aantal landen opzichtig te zuigen. Ik vermoed steeds steker dat de chaos een soort strategie is van het ware team achter Trump dat een heel naar plan langzaam wil implementeren terwijl iedereen zich druk maakt over duffe tweets en uitgesproken leugens van zijn spreekbuizen (de nu al legendarische Bowling Green “massacre”, “clean” coal.) Ik gok dat de Republikeinse Partij vlug pakt wat er te pakken is aan wetgeving over wapens, deregulering voor banken, de Supreme Court benoeming en dan Trump laat vallen omdat zijn fascistoïde neigingen de basis van het Amerikaanse systeem ondermijnen. Een positieve interpretatie beschouwt dit alles als een stresstest van het systeem waar men uiteindelijk verder op kan bouwen (al zal de tweedeling nooit meer verdwijnen.)

Een continue Trump shitshow kan in ieder geval Europa goed uitkomen omdat ultrarechtse politici iets te enthousiast zijn geweest over de verkiezing van Trump en een deel van hun potentiële kiezers aan het twijfelen zou moeten brengen (een deel, want er zijn genoeg Europeanen die Trump wel zien zitten.) Het baart me ook enigszins zorgen dat men, in ons klein-Amerika, zich soms meer druk lijkt te maken over de dagelijkse nonsens aan de overkant van de oceaan dan het voorkomen van een verkiezingswinst door een veroordeelde xenofoob. En zo niet dan proberen televisiezenders er al een tijd een soort Amerikaans verkiezingscircus van te maken, met natuurlijk nul inhoud, voorgekookte oneliners, een reductie van deelnemende partijen en dat allemaal met krukkige mannetjespolitci waaronder een premier die eigenlijk het liefst wenst dat hij naast May het andere handje van Trump mag vasthouden.

Nu zijn de Nederlandse Tweede Kamerverkiezingen vooral belangrijk voor de sfeer in Nederland, een premier W. maakt het vooral ongezelliger. Belangrijker is vanzelfsprekend dat Frankrijk houdt. Een president Le Pen is het einde van de E.U. en dat leek tot voor kort een onmogelijke uitkomst totdat gedoodverfde winnaar Fillon op voorspelbare wijze corrupt bleek te zijn. Zou op zich geen verlies zijn want een fundamentalistische neoliberaal, maar of de andere kandidaten hem kunnen overvleugelen is nog maar de vraag (Hamon is zelfs bijna zoiets als een visionair maar kan nooit de vloek van Hollande in korte tijd opheffen.) Je ontkomt niet aan het gevoel dat we komende maanden als koorddansers moeten manoeuvreren. En het gemene is dat een enkele goed getimede terroristische aanslag elke hoop op een positieve afloop teniet zal doen. De doodsklap voor Clinton kwam door de streek van F.B.I. -baas Comey en ik ben niet zozeer bang voor IS, dat op zijn gat ligt en bezig is met overleven, maar voor een veiligheidsdienst die strategisch op het juiste moment de andere kant opkijkt of even geen informatie doorspeelt. Wanneer je met dat soort scenario's rekening moet houden lijkt democratie in de stijl van de 20ste eeuw zijn terminale fase in te gaan. Only the paranoid survive.

vrijdag 27 januari 2017

Pigasus for president

Om een bepaalde reden moest ik deze week aan het verhaal denken van de Yippies die ergens in de jaren zestig een varken als presidentskandidaat presenteerden. En zowaar, YouTube heeft beelden van Pigasus uit 1968 (en er is een eigen Wikipedia lemma.) Zo visionair, al moet ik bekennen dat ik wel te doen heb met het brave varken.

zondag 15 januari 2017

K-punk (1968 - 2017)

Even uit de losse pols. Mark Fisher is te jong overleden, al moet ik eerlijk bekennen dat het nieuws mij uiteindelijk niet echt verraste. Zijn schrijven was, ondanks de intensiteit en energie, vrijwel altijd omgeven van een bepaalde zwaarmoedigheid. Niet zozeer pessimisme als existentiële onzekerheid. Ik las zijn K-punk blog vrijwel vanaf het begin en dat was zeker de eerste jaren een spannende bezigheid. Wanneer K-punk over muziek schreef, zeker wanneer hij artiesten als eerste analyseerde (Junior Boys, Burial) was hij een soort heksenketel van ideeën, slimme observaties en kleine grapjes (Springsteen omschrijven als Reich 'n roll.) Dit stuk over Joy Division was bijvoorbeeld buitengewoon goed (ook de enige keer dat ik contact met hem had, omdat hij nieuwsgierig was waarom ik zo enthousiast was.)

Maar het was duidelijk dat Fisher een persoonlijke schaduwzijde had, die op ongemakkelijke wijze -dit was voor social media- zichtbaar werd in zijn teksten, fases waarin hij als bezeten door een religieus visioen aan een nieuwe ethiek bouwde die onmogelijk te volgen was (al helemaal in de praktijk.) Na verloop van tijd keerde de luciditeit terug en kon hij plotseling weer enthousiasmeren over een nieuw album of een bijtende kritiek over de geestdodende bureaucratie van het Thatcher-Blair continuüm. Ik denk dat hij lange tijd, een van de leidende schrijvers was in wat we de blogosphere noemde. Hij was zonder twijfel geen allemansvriend, maar zelfs als je het niet met hem eens was, kon K-punk inspireren, dwong hij je om je eigen argumenten scherper te verwoorden.

Zijn overlijden voelt als een afsluiting van een tijdperk, niet alleen van de vruchtbare blogperiode, maar ook van de theoretische jaren negentig. Fisher was immers onderdeel van het Cybernetic Culture Research Unit aan Warwick University dat in een korte periode de bakens wist uit te zetten over allerlei implicaties van de digitale cultuur. Sadie Plant is missing in action, Kodwo Eshun actief in de kunstwereld, Nick Land is overgestapt naar de dark side en Mark Fisher is niet meer.

Een persoonlijk portret geschreven door Simon Reynolds is hier te vinden. David Stubbs schreef een mooi in memoriam.


maandag 9 januari 2017

Zygmunt Bauman (1925 - 2017)


De Poolse socioloog Zygmunt Bauman is op 91-jarige leeftijd overleden. Halverwege mijn studie raadde een van mijn professoren aan om Intimations of Postmodernity aan, een boek dat grote invloed zou hebben op mijn denkbeelden. Bauman was geen droge systeembouwer maar een speelse theoreticus die open stond voor veel denkers en deze in goed leesbare essays wist in te zetten om postmoderniteit vanuit verschillende invalshoeken te verklaren. En de meeste van die analyses zijn nog steeds actueel. Met Bauman verliezen we een echte intellectueel, tot op het laatst nieuwsgierig, een kalme denker tussen het gebazel van opiniemakers en geflipte ideologen.

Veel van Baumans ideeën besprak ik ooit in een overzichtsartikel voor Metropolis M uit 2006. Braaf gearchiveerd, dus dit is op een paar aanpassingen en vertaalde citaten na de versie die gepubliceerd is (met, zoals altijd, prachtige illustraties):

Vloeibaar samenleven in duistere tijden: de sociologie van Zygmunt Bauman

Een constante afweging tussen vrijheid en zekerheid. Dat is volgens de socioloog Zygmunt Bauman (geboren 1925, te Poznan) een van de belangrijkste kenmerken van het leven in de moderniteit van de 21ste eeuw. Bestaat dat dan nog, moderniteit? Menig socioloog heeft getracht een alternatieve benaming te geven voor die nieuwe sociale constellatie: tweede moderniteit, hypermoderniteit, late moderniteit, hoge moderniteit of zoals Bauman het in zijn zogenaamde liquid trilogie van toegankelijke maatschappijduiding noemt: vloeibare moderniteit. Met die drie boeken, Liquid Modernity (2000), Liquid Love (2003) en Liquid Life (2005) is Bauman bij een breder publiek zichtbaar geworden. Na het overlijden van Pierre Bourdieu, met Anthony Giddens verdacht als theoretische lakei van het project Tony Blair en Jean Baudrillard op zoek naar een vervolmaking van zijn nihilistische pensée radicale is Bauman de socioloog geworden die een brug slaat tussen de academische sociologie en het publiek debat. Zijn belangrijkste bijdragen aan het vak sociologie zijn afgerond, hij lijkt andere lezers te zoeken waarvoor zijn stijl en presentatie (korte, veelzijdige maar informatierijke boeken die door hun prachtige vormgeving niet misstaan op menig koffietafel) zich perfect lenen. Bauman heeft als geen ander de gave om zijn theoretische eruditie te vertalen naar de vragen die ons allen bezighouden, weet alledaagse dingen als kantoorparken, SUVs, internetdating, de GSM, de relatie kind-werk helder te duiden binnen grotere maatsschappelijke verbanden en trends. Hij weet op treffende wijze het existentiële onbehagen van de 21ste eeuw kenbaar te maken en heeft daar geen terrorisme voor nodig.

Uiteindelijk hoeft het niet te verwonderen dat een van de scherpste denkers over de aard van de moderniteit een eeuwige buitenstaander is, die als jonge man bijkans werd verpletterd door wat hij later zou omschrijven als de twee meest succesvolle uitingen van diezelfde moderniteit. Het ene, het Sovjet communisme was uiteindelijk ontvankelijker voor een joodse inwoner van de Poolse stad Poznan dan het andere, het oprukkende fascisme. Hij werd in 1968 tijdens een hernieuwde golf van antisemitisme Polen uitgejaagd, kon niet aarden in het hypernationalisme van Israël en leeft sindsdien in Engeland als sociologieprofessor aan de universiteit van Leeds. Maakt die status van buitenstaander Bauman tot de ultieme socioloog? Sociologen worden vaak gekenmerkt door een gevoel van onbehagen over het behoren toe, bezitten een sceptische houding ten opzichte van groepsprocessen.
           Bauman zal nooit een systeembouwer zijn. Het vangen van de sociale realiteit in een overkoepelend idee benauwt hem. Dat bevat zoals hij heeft bewezen in Modernity and the Holocaust (1989) een gevaar met een historisch precedent. Moderniteit wordt hier gepresenteerd als een universeel project van rationalisering en bureaucratisering dat zich tot taak stelde om verschil tussen mensen te doen opheffen. Helaas veroorzaakte het ook een morele erosie die samen met een technologische cultuur de vernietigingskampen mogelijk maakte. Ondanks kritiek op die interpretatie is het sindsdien onmogelijk om probleemloos over moderniteit te spreken, maakt het Verlichtingsfundamentalisten per definitie verdacht.
            In diezelfde periode signaleert Bauman een cruciale verandering in de rol van de intellectueel. Moderniteit was bovenal een perceptie van de wereld, een culturele ideologie die pretendeerde universele antwoorden te kunnen formuleren over waarheid, rechtvaardigheid en schoonheid. De intellectueel als drager van die waarden is over de jaren zijn macht kwijtgeraakt. De wereld wil zich niet vormen naar zijn modellen. De moderne staat kreeg meer behoefte aan een gedegradeerde intellectueel, experts om het sociale systeem draaiende te houden met technieken als surveillance, medicalisering en psychiatrisering. Het alternatief voor de intellectueel is een rol als interpretator. Nu moderniteit verdacht is, altijd in staat om weer tot massavernietiging over te gaan, de rol van de intellectueel als vazal van de moderne natiestaat lijkt uitgespeeld, is het tijd voor Bauman om de logische stap te maken en de interpretatieve intellectueel, en daarmee zichzelf, te plaatsen in een nieuw tijdperk van postmoderniteit.

Die stap blijkt bijzonder succesvol. Bauman is de socioloog van de jaren negentig. Er ligt een verzameling poststructuralistische theorie te wachten om “vertaald” te worden naar een sociologie die moeite heeft met het ontsnappen aan de eigen wortels in de moderniteit.. Die vertalende rol neemt Bauman glansrijk op zich in boeken als Intimations of Postmodernity (1992) en Life in Fragments (1995). Bauman heeft het moderne sociologische canon in de vingers maar onder invloed van schaduwsociologen als Jean Baudrillard, Michel Foucault of Roland Barthes praktiseert hij steeds meer een literaire sociologie. Zijn boeken worden verzamelingen van essays met verschillende thema’s die vaak, maar niet verplicht, op subtiele wijze met elkaar verbonden worden.
       Eén concept neemt al snel een centrale positie in: consumptie. Met name non-marxistische sociologen hebben altijd een zekere afkeer gekend van economisch reductionisme. Juist voor hen kan consumptie een interessant concept zijn omdat het door de economische wetenschap, waar het moet plaatsvinden als logische uitkomst van het productieproces, het maakt niet uit hoe, lange tijd is veronachtzaamd. Bauman voelt aan dat die hoe vraag juist een steeds belangrijkere rol speelt. In het interview aan het einde van Intimations of Postmodernity omschrijft hij het helder:

Consumerism stands for production, distribution, desiring, obtaining and using, of symbolic goods. Symbolic goods: that is very important. Consumption is not just a matter of satisfying material greed, of filling your stomach. It is a question of manipulating symbols for all sorts of purposes. On the level of the life-world, it is for the purpose of constructing identity, constructing the self, and constructing relations with others. On the level of society, it is in order to sustain the continuing existence of institutions, of groups, of structures and things like that. 

Hoe zijn ideeën ook verder zullen evolueren, dit zal tot op de dag van vandaag de kern van zijn analyse blijven. Postmoderniteit is voor Bauman een nieuwe sociale toestand die duidelijk verschillende kenmerken bezit in vergelijking met de moderniteit. Het mist in ieder geval het beeld van de geschiedenis als een beweging met een richting en deze richtingloosheid wordt aangevuld met eigenschappen die voor het moderne denken onwenselijke onzekerheid symboliseren: geïnstitutionaliseerd pluralisme, verscheidenheid, toeval en ambivalentie.
         Zoals eerder gesteld heeft dat op verschillende analytische niveaus belangrijke gevolgen, waarvan die van het individu en zijn of haar directe omgeving volgens Bauman de meest positieve mogelijkheden in zich draagt. De leefomgeving wordt een onvoorspelbaar, complex systeem waarin de afhankelijkheid tussen individuen laag blijft. Er is een hoge graad van autonomie om zelf de zin en de doelen van het leven te stellen wat resulteert in een “existentiële modaliteit” die zich laat karakteriseren door termen als onbepaaldheid, onbeslistheid, spontaniteit, ontworteling. Dit soort termen zijn typerend voor Bauman, die steevast weigert om op directe wijze te moraliseren. Woorden die beginnen met on- zijn vanuit een modern perspectief geladen met negatieve betekenissen en Bauman verwoordt hiermee subtiel zijn zorgen over maatschappelijke tendensen die vervolgens toch worden gerelateerd aan een context van mogelijkheden. Zo ontstaat iets als een overweldigende taak van vrijheid. Die vrijheid raast door het individu heen. Identiteit wordt een constructie, een levensproject zonder doel, een constante beweging van opbouw en afbraak. De enige continuïteit van dit proces is te vinden in de drager van identiteit: het lichaam (mooi omschreven als opnemer van indrukken en producent van publiek “leesbare” zelfdefinities.)
         Een onvoorzichtige lezing van Bauman zou tot de conclusie kunnen leiden dat we hier met een neo-liberalistische Goed Nieuws show te maken hebben. Toch is hij vanaf de basis niet blind voor de problemen die het primaat van consumentisme kan veroorzaken. De toegang tot tekens voor zelfconstructie verschillen immers per individu en zijn voor het grootste deel afhankelijk van een zekere financiële armslag. In Liquid Life is die problematiek van falende consumenten opeens veel grimmiger verwoord. Met vooruitziende blik schrijft hij over de potentiële slachtoffers van de door de inmiddels beruchte Franse minister van Binnenlandse zaken Nicolas Sarkozy ingestelde ‘uitwijzingsquota’:

They are truly and fully useless – redundant, supernumerary leftovers of a society reconstituting itself as a society of consumers; they have nothing to offer, either now or in the foreseeable future, to the consumer-orientated economy; they won’t add to the pool of consumer wonders, they won’t lead ‘the country out of depression’, reaching for credit cards they don’t have and emptying saving accounts they don’t possess – and so the ‘community’ would be so much better off were they to disappear… 

Het is een citaat dat representatief is voor de pessimistischere toon in Baumans recente werk. Plotseling is daarin de term postmodern verdwenen zonder dat er een echte aanleiding voor is aan te wijzen, de continuïteit met Baumans werk uit de jaren negentig is daarvoor veel te groot. Vloeibare moderniteit is eigenlijk niets meer dan een synoniem voor postmoderniteit. Waarom die manoeuvre? Een aspect zal distinctiedrang zijn, er is onnoemlijk veel geschreven over postmodernisme terwijl er nog relatief weinig eer aan te behalen is, het is een geaccepteerd fenomeen dat vervolgens positief maar over het algemeen negatief gewaardeerd kan worden. De discussies over postmodernisme zijn altijd doordrongen geweest van de vraag: “en hoe nu verder?” Vloeibare moderniteit is een manier om voorbij de slopersmentaliteit van postmodernisme te denken.

Wat is een vloeibaar leven? Het is een leven in een maatschappij waar vrijwel alles in beweging is en weigert consistent te worden (in de zin van de structuren die de oude versie van moderniteit pretendeerde neer te zetten.) In Liquid Love omschrijft Bauman hoe die beweging niet alleen ons denken over liefde en seksualiteit veranderd maar menselijke relaties in het algemeen (de omgang met je buren, vreemdelingen.) In het verlengde van het vrije leven door middel van consumptiekeuzes zoekt men steeds vaker uitstel van vastigheid op het gebied van liefdesrelaties. Opties moeten open gehouden worden, er heerst een angst voor definitieve binding (er is waarschijnlijk altijd een betere relatie te vinden, bovendien is een relatie die niet werkt een mogelijke blokkade voor verdere zelfontplooiing.) Men spreekt volgens Bauman eigenlijk liever over netwerken in plaats van partners. In een netwerk van “virtuele relaties” is het makkelijker om tijdelijke connecties te maken en pauzes te nemen. Het is een heldere manier van met elkaar omgaan, waar het afbreken van relaties zonder veel drama en emotionele investering plaatsvindt.
         Vloeibaar leven is een consumerend leven. Ondanks zijn weigering om harde oordelen te vellen lijkt de mens in Liquid Love verdacht veel op een vampier die zijn liefdes consumeert en vervolgens achterlaat. Maar er sluipen problemen binnen. De herschepping van het individu door consumptie, voorheen toegejuicht als model voor sociale reproductie, nu geduid als een modernistisch project op individueel niveau, is een privilege. Het is duidelijk dat een levenspeil zoals de rijkste Westerse landen voorstaan onmogelijk op planetaire schaal is te implementeren. Er is sprake van een fundamentele ongelijkheid die een nieuw soort klassen produceert waaronder een mondiale elite van zelfreflexieve consumenten, zogenaamde culturele hybriden.
          Hybride cultuur is extraterritoriaal, het schenkt een vrijheid om in beweging te zijn op mondiaal niveau, een gedistribueerd niemandsland waarin je nimmer echt thuishoort. Wie binnen is, hoe tijdelijk van aard dat lidmaatschap ook mag zijn, leeft in een prachtige wereld zonder geloofwaardige hiërarchie, waar autoriteiten geen enkele grip op het gebied van cultuur en ideeën kunnen krijgen, waar identiteit permanent onbepaald is. Hybride cultuur is extracultureel, eclectisch, onbevooroordeeld en voelt als echte vrijheid. Het is duidelijk dat deze klasse haar tegenhanger kent in al diegenen die beweging wordt ontzegd, die gevangen zitten in een opgelegde identiteit (fundamentalisme is hier niet meer dan een keuze om die opgelegde identiteit te waarborgen in het zicht van een globaliserende ideologie van vrije markt en individualisme.) Hier speelt Baumans nieuwe favoriete, negatieve metafoor en realistische zorg een belangrijke rol: afval. Afval is het product dat de vloeibare consumptiemaatschappij in overvloed schept en steeds moeilijker kwijtraakt, afval is waartoe je wordt gereduceerd als mislukt consument.

Kan kunst hier een rol van betekenis spelen? Dit is een favoriete manoeuvre van pessimistische sociale commentatoren. Bij Bauman lijkt daar in eerste instantie weinig ruimte voor. In het essay over cultuur in Liquid Life analyseert hij de relatie tussen de van oorsprong gerelateerde termen cultuur en management en hoe beide narratieven op gespannen voet leven omdat zij hetzelfde doel nastreven: het veranderen van menselijk gedrag. Het hoeft niet te verbazen dat de, door de artiest verachte, manager als agent van de markt, in plaats van de natiestaat, nieuwe criteria heeft ontwikkeld die zich laten leiden door consumptie (en de daarbij horende snelheid en circulatie die slecht werken in de culturele praktijk.) Met voorspelbare gevolgen: culturele producten dienen zichzelf te legitimeren in termen van marktwaarde. Beroemdheid, merk en het evenement zijn beter geschikt om de korte aandachtsspanne van de consument te bereiken. Vloeibare moderniteit is een cultuur van discontinuïteit en vergeetachtigheid. Die woorden zijn nog niet uitgesproken of Bauman gaat op zoek naar representatieve artiesten van de vloeibare moderniteit. Jacques Villeglé affiches lacéréés, de gelaagde collages van Manolo Valdes waarvan niet duidelijk is of ze nog afgemaakt moeten worden of al uit elkaar vallen en Hermann Braun-Vega’s schilderijen van onmogelijke ontmoetingen, reproduceren het vloeibaar moderne:
It is expressed over and over again – in the tendency to reduce the lifespan of products of the arts to a performance, a happening, at the most to the duration of a ‘from-to’ exhibition; in the preference for frail and friable, eminently degradable and perishable materials among the stuffs of which art objects are made; in the earth works unlikely to be visited by many or to survive for long given the caprices of the inclement climate; all in all – in incorporating the imminence of decay and disappearance into the material presence of artistic creation.
Is herkenning genoeg? Natuurlijk niet maar Bauman is ook sluw genoeg om in te zien dat aan een uitgestippeld sociaal programma weinig eer valt te behalen. In navolging van een andere favoriet kunstwerk, Gediminas Urbonas vier arctische containers waarvan één, in plaats van kunstobjecten, leegte bevat waarop de bezoeker betekenissen kan projecteren, zoekt Bauman voorzichtig naar hoop in “duistere tijden”. Een centrale rol is in ieder geval gereserveerd voor de geërodeerde publieke ruimte als plek van dialoog, waar diversiteit (de motor van culturele verandering) opbloeit. En dat zou een nieuw soort publieke ruimte op planetair niveau moeten zijn, voor een politiek en verantwoordelijkheid op dezelfde schaal, aangezien de problemen zich ook op dat niveau afspelen. Formidabele hordes dienen zich in ieder geval aan, gezien de steeds groeiende complexiteit van de wereld, de angst die de publieke ruimte steeds meer overheerst en de onmiskenbare nadruk op korte termijn denken. Bauman hoopt op een oplossing die we ons nu nog niet kunnen voorstellen al kan je jezelf afvragen of in ons bewustzijn niet een fatale verstrengeling heeft plaatsgevonden, waarin we de wereld kunnen overzien maar nooit tot actie zullen overgaan totdat problemen de directe levenssfeer binnendringen.

zaterdag 31 december 2016

2016: De Toekomst Hervonden



2016, het jaar dat de 21ste eeuw begon, of zich in volle glorie ontvouwde. Er was dit jaar een half pathetisch/half ironische neiging om 2016 als een soort Magere Hein te personificeren die allerlei beroemdheden vermoordde. Vanzelfsprekend bestaat hier een rationele verklaring voor. Popcultuur explodeerde in de jaren zestig en veel artiesten en sterren van die generatie raken op leeftijd. Aangezien de levensstijl van dit gilde over het algemeen niet het gezondste is geweest zullen de komende jaren nog veel meer volgen. Maar zelfs zonder excessen is duidelijk dat een leven als artiest het lichaam op soms onvoorziene manieren sloopt. Of het nu Prince is die aan chronische heuppijn leed door jaren lang op hoge hakken op te treden of dj’s die in een permanente jetlag leven en jarenlang in rokerige zalen hebben gedraaid. En die opoffering voor de kunst heeft natuurlijk zijn romantische charme.

2016 voelde als de slang die vervelt en zijn oude huid achter laat. In culturele zin is een proces van afsluiting begonnen, reden waarom retromania opeens lijkt te verdampen. In minder macabere zin was het ergens een opluchting dat Bob Dylan de Nobelprijs van de Literatuur kreeg. De triomf waar een groot deel van zijn generatie jarenlang naar smachtte. Maar met de ultieme blijk van goedkeuring wordt dit culturele moment definitief onderdeel van het establishment. Het was dan ook perfect dat Patti Smith, de museumdirectrice van rock ‘n’ roll, de prijs voor Dylan in ontvangst nam. Bevrijd kan de popcultuur verder uitdijen zonder ooit de kracht van die originele explosie te evenaren.

Maatschappelijk is eenzelfde vervelling gaande waar lastig grip op is te krijgen. Rationeel observerend zie je de verandering gebeuren, een trage ontmanteling van een stelsel van democratie, welvaartsstaat en natiestaat door onhoudbare globalisering en technologisering. Dit heeft bepaalde processen in gang gezet die niet te stuiten lijken: het concept van democratie is blijkbaar zo zwak dat het geen alternatief kan verzinnen voor een vrijwillige metamorfose naar een controlestaat die xenofobie gretig kanaliseert. Je weet het, je voelt het, maar in je dagelijkse realiteit blijf je er in West-Europa weinig van merken. Blijft dat zo? Of komt de klap des te harder, op een semi-onvoorspelbare manier?

Ik spreek niet graag over een Derde Wereldoorlog omdat ons altijd werd geleerd dat die het einde van alles betekende. En een oorlog van dat kaliber hoop ik toch niet mee te maken. Maar als je eerlijk bent is op een ander niveau iets veel geniepiger aan de hand, een soort permanente ambient oorlog die net buiten het gezichtsveld, het Europese continent, plaatsvindt maar waar de gevolgen alleen indirect voelbaar zijn in de vorm van vluchtelingen (waar over het algemeen onmenselijk, een ongewilde abstractie, mee wordt omgegaan.) En er woedt zonder twijfel een Koude Oorlog 2.0 waar moeilijk de contouren van zijn te ontwaren, half bluf en mystificatie, maar aan de andere kant met een mogelijk reële invloed op verkiezingen. Overigens een manier van oorlogvoeren die iedereen met een vooruitziende blik al minstens 30 jaar geleden had kunnen zien aankomen terwijl overheden straaljagers bleven kopen. Het leger gebaseerd op principes uit de 20ste eeuw lijkt net zo onthand als ruiters die aan het begin van de Eerste Wereldoorlog opeens geconfronteerd werden met mitrailleurs. Maar in plaats van de militair te hervormen naar een informatiespecialist keert het leger naar binnen toe om in steeds meer landen (Verenigde Staten, Frankrijk en Turkije) een synthese of vervanging te vormen van de politiemacht. Inderdaad een van de hoekstenen van fascisme.



Het is lastig om nog tegenkrachten te vinden. In parlementaire democratieën is bijna elk alternatief of verschil platgewalst door de neoliberale consensus. Burgers die veranderingen willen doorvoeren weten dat ze gerichte projecten moeten organiseren en zelf initiatief dienen te nemen om bureaucratieën te breken. De ergste excessen op collectief niveau worden alleen nog tegengehouden in de rechtszaal en je kunt je afvragen hoe lang het duurt voordat het mandaat van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens wordt teruggedrongen (een van de meest gehate instituties door populisten en nationalisten: wees op je hoede als je de term 'activistische juristen' hoort.)

De vierde macht, journalistiek, is vrijwel compleet geërodeerd doordat het niet adequaat kon omgaan met digitale technologie. De zonde van de journalistiek is dat het is meegegaan in het digitale verdienmodel van de klik. De klik die leeft bij gratie van schandaal, beroemdheid, irritatie, woede, meningen. Populistische politici weten als geen ander de klik te gebruiken. Het zijn trollen die een nieuwe generatie journalist, niet meer wezenlijk geïnteresseerd in feiten of controle van macht, onweerstaanbaar vindt en waar goedwillenden op social media steeds maar in blijven trappen door te reageren terwijl daardoor de boodschap verspreidt. In Nederland zijn een handvol journalisten er nu ten aanzien van Wilders achtergekomen, worden de mechanismen in kaart gebracht, maar natuurlijk jaren te laat.

Gaan we dan een hopeloze periode tegemoet? In zekere zin hoeft dat helemaal niet, al zullen de gevolgen van klimaatverandering er de komende decennia in blijven hakken. Nog steeds leven we in een mogelijke transitieperiode naar een nieuw soort levensverbanden waarin de mens op diverse manieren met digitale informatie en nieuwe artificiële levensvormen zal omgaan. Langzaam begint de dagelijkse realiteit te veranderen, nu nog op vaak knullige wijze maar ongetwijfeld zal dit steeds geavanceerder worden. In die vergaande digitalisering ligt een verlies van autonomie verscholen, want we worden steeds meer onderdeel van digitale netwerken waaraan we beslissingen delegeren of afhankelijk van worden (hoe voel je je wanneer internet tijdelijk uitvalt?) Maar wellicht zal dit ook een verlies van psychische autonomie inhouden, een vorm van egoverlies die niet ongunstig hoeft uit te pakken.

De laatste tijd heb ik me weer meer verdiept in de natuurwetenschappen, een wereld van ultrakorte en onvoorstelbaar lange tijdspannen, met een aanstekelijke positieve blik, gedreven door nieuwsgierigheid en fantasie. Een wereld ook waar men fundamentele inzichten kritisch ondervraagt en bijvoorbeeld theorieën van Einstein aan het wankelen worden gebracht. Een wereld die zijn puriteinen kent en ook niet immuun is voor de verrottende invloed van geld en hypes maar in wezen naar voren kijkt en niet bang is. Het recept tegen negativisme en het feitenvrije klimaat dat politiek en media heeft gecreëerd (Forbes is verrassend genoeg een hele goede bron voor toegankelijke wetenschapsartikelen.)

                                                           *

Het afgelopen jaar was op persoonlijk niveau vreemd maar buitengewoon positief van aard. Ik kreeg de kans om het bestaan als freelancer achter me te laten net toen ik mijn laatste boek had gepubliceerd, wat mij meer rust gaf en minder tijd voor vrije associatie. Hierdoor kon ik onvermijdelijk minder aandacht besteden aan De Toekomst Hervonden. Vreemd genoeg begonnen na de zomer de bezoekersaantallen enorm toe te nemen, wat de cynicus in mij vooral wijt aan een, mij verder onbekende, verandering bij Google. December is zelf de meest populaire maand ooit geweest. Dan verschijnt al snel bij mij het idee om te stoppen op een hoogtepunt. Zoals De Jeugd van Tegenwoordig en De Zijlijn bovendien observeerde: iedereen heeft tegenwoordig een mening. Dan voelt je eigen bijdrage snel nutteloos. Maar al zal de frequentie van schrijven minder worden, wil ik het blog toch open houden, een kanaal waar ik bepaalde ideeën kwijt kan, de hopelijk positieve kanten van de 21ste eeuw.

woensdag 21 december 2016

Bowie(s)

The 20th century was the age of the frontline news photo, the water-cooler TV moment, the must-have LP, but all those heat-of-the-moment things have been demoted or disappeared in our new century's digital realignment. In our current post-everything age, Bowie's death was another reminder of how times have changed: an oldtime star who once enacted his alter ego Ziggy Stardust's demise as an old-fashioned diva-esque theatrical goodbye-ee, and who more or less staged his own death online, with admirable restraint, impeccable good manners, and a profoundly surprising, legacy-salvaging last work, Blackstar. His career began in the early-to-mid 1960s when rock music itself had barely got up a head of steam, BBC2 had just become the UK's third TV channel, and there was very little 'media' to register the underground tremors of rock. By the time he died, the music and the culture it gave birth to had boomed, then bust. There is still music and obscene amounts of money to be made – perhaps more than ever. But it sometimes all feels like little more than a Potemkin masquerade, mass nostalgia for a time when rock really mattered. It's impossible to imagine something like Bowie's masterpiece Low (1977) coming out now, an album split down the middle like an old Mad centrepiece, one half fidgety pop songs (the whitest blues ever recorded), the other just pure tone.
Ian Penman in London Review of Books. Onder het mom van een recensie van vier boeken over Bowie en glamrock gaat de meester natuurlijk zijn eigen gang en maakt vervolgens de boeken onnodig. Best wel een streek. Ik vraag me trouwens af hoe lang het nog duurt voordat dit soort artikelen ook niet meer dan een herinnering zijn. In zekere zin kunnen ze alleen in deze periode worden geschreven, een wijze melancholie van iemand die weet dat een tijdperk ten einde is gekomen en de toekomst...ondenkbaar is?